Oma Pluis en Vogel

De krant van gisteren ligt op mijn schoot. Ik gebruik vaak een oud exemplaar als ik aardappels schil. Vandaag een kilootje of wat, want ik kook voor het grootste gezin van mijn kinderschaar. Zes monden te vullen. Ook is de wens is uitgesproken dat er vanavond: ‘gebakken-aardappeltjes-met-zo’n-lekker-korstje’ op tafel staan, daarom voldoet een handje vol niet.
Wij zitten samen op de bank, Rein van vijf en ik. We hebben pret, want er zitten lange wortels aan de aardappelen. Ze lijken op mensen met piekhaar, of omgekeerd op mannetjes met baarden. Bij een groot exemplaar snijd ik er oogjes in, soms met een mond erbij. Rein moet onbedaarlijk lachen.
‘Kijk, deze lijkt op Barbapapa!’
Hij giert het uit.
Als een aardappel geschild is, deel ik hem in tweeën of vieren, zo gaan de stukken in de pan. Water spettert in het rond.
Ongeveer twintig exemplaren verder is mijn maatje ineens stil.
Hij kijkt naar de krant en ziet Nijntje met een traan. Natuurlijk hebben zijn ouders verteld dat Dick Bruna dood is, maar oog in oog, is het gebeuren van een andere orde.
‘Oma, is Nijntje ook dood?’
Ik snijd in mijn duim en probeer een antwoord te formuleren.
‘Nou, kijk Rein, dat zit zo …’
‘Ohh, natuurlijk niet, want alleen Oma Pluis is dood. Wanneer ga jij dood? Als je in elkaar gezakt bent?’
‘Dat denk ik, ja.’
‘Oma, Max Velthuijs is nog niet dood, toch? Maar Vogel wel. Die doet het niet meer.’
‘Dat is waar. Daarom maakten Rat, Eend, Varkentje en Kikker een mooi grafje voor hem.’
‘Is dat die kuil? Met bloemen?’
‘Ja. Dat is lief, vind je niet?’
‘Wat heb je nou aan bloemen als je dood bent. En ze gooiden ook nog een bloem óp de steen. Vogel kan helemaal niets zien. Wat heb er er dan aan?’
‘Nee. Tja. Klopt. Maar.’
‘Oma, wil jij bloemen als je dood bent?’
‘Ja.’
‘Ok.’
‘Wil je nu Oma Pluis voorlezen?’
Ik laat het schilfestijn voor wat het is, zoek Oma Pluis in de boekenkast en samen lezen voor hoe het is, als een lief iemand dood gaat.
‘Eigenlijk helemaal niet erg,’ concludeert de jongeman.
‘Dood is dood. Daarna ga je dansen, want dat kan. Net als bij Vogel in het boek van Kikker.’
Juist, Reinemans. Zo is het.
Vanavond eten we gebakken aardappeltjes mét korstjes.

Oma Willie,
20 februari 2017

Posted in Kleinkinderen, Perspectief | Leave a comment

Scratch

Dag grote goeie hond!

Je at mijn Teva’s op.
Je enthousiasme kende geen grenzen als wij arriveerden.
Je zorgde voor vaste rituelen in Huize Van Rijn-Prat.
Je lag vaak zo lekker op je kleedje.
Je kreeg soms van Rick of mij een stukje kaas. (niet doorvertellen hoor, in je hondenhemel)
Je kon knorren van genot, op je rug, naast de gloeiende kachel.
Je rook in de verte al als er post uit Nederland kwam met een bot erin.
Je was zo’n trouwe maat voor Rogier.
Je was zo verschrikkelijk toegewijd aan Sandra.
Je was de bewaker van Lisa.
Je waakte over de dames als Rogier op reis was. (kroop je niet een keer stiekem naast Sandra?)
Je hield de roedel in de smiezen.
Je trok nooit aan de riem, als “oma” met je wandelde.

Nú kan ik weer sjieke kleren aan als ik op bezoek kom:
Geen poot meer op mijn bloesje.
Geen nagels meer in mijn panty’s.
Geen haren meer op mijn rok.

Wou dat ik dit weekend kon terugdraaien.

Willie,
30 januari 2017

Posted in Kinderen | 1 Comment

Suikerland

Ruim voor de les begint, ben ik in mijn lokaal. Ik leg de boeken klaar en wrijf mijn handen warm. Zoetjesaan druppelen cursisten binnen. Velen verkleumd van de kou, want in landen van herkomst was de kou er niet, óf was de kou anders. Droge kou is van een andere orde dan natte kou.
Terwijl ik nog even het lesprogramma lees, gaat de deur met een grote zwaai open. Amjer komt binnen.
‘My teacher’ (zijn Nederlands is nog niet wat het behoort te zijn), ‘vandaag sugarcountry, mooi.’
Opgewonden zet Amjer zijn bontmuts af en wijst naar buiten.
‘Sugarcountry, look, look.’
‘Ja, Amjer ik weet het. Ik heb een uur door dit witte landschap gefietst. Het is prachtig.’
‘Look, kijken, mooi, wunderfull.’
We lopen samen naar het raam en bewonderen de witte bomen.
‘My teacher, naam?’
Zoveel leergierigheid, zoveel willen weten, zo graag aanpassen, maar nog zoveel primaire hiaten in de taal. Moet ik mijn programma omzetten en gaan vertellen over rijp, ruige rijp of uitsneeuwende mist?
Dacht het niet, of toch?
Mijn Hollandse bloed kruipt waar het niet gaan kan: ijspret, koek en zopie, doorlopers, bevroren sloten, poldertochten. Verlichte ijsbanen en jolijt met buurjongens in de vrieskou. De namen van de Elf Steden kan ik opdreunen. Hopen dat de ijsbrekers vast komen te zitten. En dat zwanen en eenden de koppen bij elkaar steken en slechts één groot wak maken in de polder. Kranten onder mijn trui voor de kou en rode wangen van pret. Kolenkachel is roodgloeiend bij thuiskomst.
Dan herneem ik me. Deze gevoelens kan ik niet delen de cursisten uit Eritrea, Afghanistan, Palestina, Syrië, Somalië, Marokko of Tibet. Zelfs cursisten uit Oost-Europa hebben een ander gevoel bij de winter. Zij praten over Siberische nachten. Of over staatsverwarmingen die hooguit twee uur per dag brandden.
Altijd een paar minuten te laat komt Nahir binnen. Er is nog een lange weg te gaan, voordat hij beseft dat tijd in Nederland heilig is.
‘Nahir, je weet..’
‘Willie, Nederland is met koude suiker. Suikerland! Nooit gezien.’ Hij grijnst van oor tot oor.
Ik geef me gewonnen, ook al besef ik me terdege dat met deze uitspraak ‘elementen’ in de politiek aan de haal kunnen gaan.
Maar voor vandaag mag het even, het was waar toch, Nederland Suikerland? Al dat rijp, al die uitsneeuwende mist?
In de les hebben de cursisten aangetekend:
‘Het is koud. Het vriest. Het sneeuwt.’
Meer kan ik niet uitleggen.

Willie,
19 januari 2017

Posted in Taal, werk | Reacties staat uit voor Suikerland

Van alles twee

Het nieuwe jaar is twee dagen oud. Lisa, met wie ik boodschappen doe, is twee jaar oud. Twee hoort ook bij haar taligheid. Er is een langue van haar moeder en er is een taal van haar vader.
Tweetalig? Zíj is er niet verbaasd over. Bergkinderen verbazen zich niet zo snel. Zij hebben geleerd dat het leven komt zoals het komt. Generaties lang overleefden zij de bloedhete zomers of de ijskoude winters. Soms lag er sneeuw tot aan de schoorsteen of klotste in het voorjaar het smeltwater over de bewaarappeltjes in de kelder. Dan weer waren waterpompen bevroren of was er te weinig hout voor de kachel in februari. Honger lag op de loer als een oogst mislukte in een nat najaar of als een hongerige vos het kippenhok leegroofde.
Nee, bergkinderen verbazen zich niet zo snel. Het zijn de genen die honderden jaren hebben gezorgd voor overleven. Bewonderenswaardig.
Maar: oma verbaast zich wel.
Twee jaar. Twee talen.
We zijn in de plaatselijke supermarkt. We kopen olijven, eieren, rijst en oeufs. Bij Michel, de slager, wachten we op onze beurt, want hij en zijn clientèle hebben de tijd. Met bebloed schort en een aantal pleisters op zijn duim, vertelt hij enthousiast aan een klant hoe de koe geslacht is en vooral hoe het vlees in de braadpan het meest tot zijn recht komt. Welke kruiden er bij moeten, natuurlijk heeft hij ook advies voor een exelente wijn. Het water loopt uit zijn mond.
Er zijn nog drie klanten voor me.
Lisa vindt te lang duren, ze wil uit de winkelwagen.
‘Natuurlijk, ma petite, maar wel bij oma in de buurt blijven, hoor!’
Met haar blonde krullen gaat ze op stap. Voetje voor voetje, dicht bij. Eventjes ver weg, dan weer terug.
‘Oma Willie, atrappe moi, je me cache!’
Daar was ik al bang voor. Verstoppertje spelen is favoriet.
‘Nee, Lisa, dat kan hier niet. We zijn in de winkel en ik moet vlees kopen.’
Ik sta al tien minuten naar slachtpartijen te luisteren en wil mijn plaats niet zomaar prijsgeven. Michel blijft adviseren en vooral meegenieten met de aankopen van stukken vlees, die ik in Nederland niet zo snel over de toonbank zie gaan.
‘Madame, avec une bouteille Bourgonge! Bon appetite.’
Als ik aan de beurt ben bestel ik in mijn allerbeste Frans drie onsjes kipfilet. Michel kent mij al enkele jaren, hij neemt me zoals ik ben. Ook dat is Frankrijk.
Met de kip in de kar ben ik ineens ongerust. Lisa? Lisa? Ik snel door een gang met alle denkbare soorten olijven, langs tientallen olijfolies, langs blikken met canard en ander gedierte, langs alle kazen en fruit-yoghurtjes. Langs patés en fruits de mer.
Lisa? Lisa?
‘Oma W-i-l-l-i-e!! Je suis caché.’
Gerustgesteld, dat ik haar nog niet op een bevroren waterval of op een zwarte piste hoef te zoeken, ga ik op haar stemmetje af.
Achter de stelling met boeken heeft mijn bergmeisje zich verstopt. Met een boekje in haar hand en met vragende ogen…
Er rollen twee tranen over mijn wangen: één van vertedering en één van trots.

Willie,
l’Argentiére la Bessee, 2 januari 2017

Posted in Kleinkinderen | Reacties staat uit voor Van alles twee

2017

Wie zal het zeggen?

Wie weet het?
Wie kan het tij keren?
Wie durft het aan?

Wie geeft het goede voorbeeld?
Wie neemt de juiste beslissing?
Wie loopt voorop?
Wie weet de oplossing?
Wie kijkt niet weg?
Wie strijkt over zijn hart?
Wie gaat oorzaken zoeken?
Wie scheert niet over één kam?
Wie nuanceert zijn uitspraken?
Wie luistert?
Wie kijkt in de spiegel?
Wie verplaatst zich in de ander?
Wie beseft de kracht van bezinning?
Wie blijft geloven in het goede?
Wie begint de dialoog?
Wie toont begrip?
Wie gaat voor inzicht?
Wie durft eerlijk te zijn?
Wie verdiept zich?
Wie zwijgt als hij niet beter weet?
Wie spreekt als ‘het moet’?

Wie zal het zeggen?

Willie, 30 december 2016

Posted in Perspectief | Reacties staat uit voor 2017

Stoplichtleed

Naast mij, bij het stoplicht, staat een echtpaar op leeftijd. Ik schat meneer en mevrouw rond de zeventig. De schoenen zijn gepoetst, de handschoenen van zacht leer. Beiden dragen een keurige grijze pantalon. Hun jassen zijn evident.
Ik ben op weg naar mijn werk, dit keer met een fietstas vol ‘vrolijk kerstfestiviteit’. We vieren namelijk Sinterklaasfeest in de sfeer van Kerstmis. Ik heb er zin in.
‘Heb je nou al op het knopje gedrukt?’ De heer naast mij verheft zijn stem.
‘Wat denk je wel.’ De echtgenote snuift. Het kan niet anders dan dat zij bij elkaar horen, want zelfs de fietsen zijn op elkaar afgestemd.
‘Nou, je vergeet het anders vaak genoeg.’ Dit keer zegt zij niets, ik veronderstel dat zij door de jaren heen wijs is geworden.
De man kijkt naar links waar de stadbussen vandaan komen en besluit dat het openbaar vervoer ook niet alles meer is.
Niemand zegt wat terug. Zal ik iets vrolijks zeggen? Ik zie er vanaf, omdat er hoogstwaarschijnlijk geen beginnen aan is.
‘Kijk, nu mogen zij ook al eerst!’ Hij wijst op de voetgangers.
‘Logisch.’ Ze fluistert bijna.
‘Heb je wel goed ingedrukt, doe het nog een keer.’
‘Nou zeg, doe het zelf.’
‘Kan er niet bij, volgende keer ga ik daar staan.’
‘Ook goed.’
Ik moet denken aan de hulsttakken, de hyacinten en het kerstspul in mijn volle fietstassen. Even twijfel ik weer, zal ik een kerstbal aan hun stuur hangen? Zouden ze dan misschien?
‘Het moet niet gekker worden, weer de stadsbussen. En iedereen maar klagen over het openbaar vervoer.’
‘Ssuzz, ssuzz, jij hoeft er niet in.’
‘Nee, maar het is wel waar.’
Ondertussen zijn de lichtjes in ons stoplicht tot de helft gereduceerd. Uit ervaring weet ik dat er dan nog een rijbaan eerst mag. Het is namelijk een kruispunt waar vele wegen samenkomen.
‘Ongehoord. Hoe lang staan we hier al?’
‘Maakt niets uit, thuis doe je toch niets.’
Ineens is daar groenlicht, ik wens de familie naast me een prettige dag.
‘Oh, dank u. Wat vriendelijk.’
Het volgende stoplicht ben ik hen voor, ik kan door rijden. Een tweede keer had ik écht een zilveren bal aan hun fietsen gehangen.

Posted in Perspectief, Reizen | Reacties staat uit voor Stoplichtleed

19-11-1956

Ik hoor gestommel op de trap, de gordijnen kieren. Ik zie een stukje van de maan. Het is nog vroeg.
Zou vader?
De deur van de jongensslaapkamer gaat open. Een bed kraakt. Mijn broers hebben daar samen een twijfelaar. Ze passen er net in, ‘als jullie maar rustig liggen’, zegt moeder, ‘dan zijn de dekens ook groot genoeg.’
Ik heb samen met mijn zus een bed, maar zij is alleen zaterdag en zondag thuis. Zij is op kostschool. Vandaag lig ik helemaal alleen.
Zou vader?
Uit de slaapkamer van mijn broers hoor ik gehoest én woorden die niet in mijn leesboekje staan.
‘Vort, jongens, vooruit met de geit. Kom, de bloemen moeten zo naar de veiling.’ De deur slaat dicht en het bed van de jongens kraakt nog harder.
Zou vader?
Ik kruip onder mijn deken vandaan, schud mijn kussen en ga rechtop zitten. Het is koud. Ik wacht.
Een paar minuten later piept de keukendeur en ik hoor dat vader de kachel oppookt.
Ik kruip terug onder mijn deken terug, trek de molton over mijn hoofd.

‘Zo Griet’, zegt moeder als ik een sneetje brood eet, ‘acht jaar al, waar blijft de tijd? Wat wil je vanmiddag eten?’
‘Krootjes, moeder.’
‘Ik zal kijken of er nog liggen. Anders wordt het andijvie. Kom, nu moet je gaan, goed opletten en beleefd zijn.’
‘Ja moe.’
‘Vraag vanmiddag uit school je buurmeisje, dan mag zíj, omdat je jarig bent, blijven eten. Haal ik een stuk gekookte worst bij de slager. Wat een feest, hé?’
‘Ja, moe.’
‘Maar vader…’
‘Geen haarlemmerdijkjes, huppakee, naar school.’
In de klas deel ik toffees uit en ik heb mijn zondagse jurk aan.
‘s Avonds mag ik opblijven, bij moeder aan de keukentafel. Een peertje schijnt op haar bewegende handen. Ze stopt, ze naait, ze maast, ze breit. Vaak zegt ze: ‘Een vrouwenhand en een paardentand staan nooit stil’. Toch eens aan mijn juf vragen wat dat betekent. Dan hoor ik gestommel van klompen en vader komt binnen.
‘Grietje, vandaag jarig. Hoe kan ik het vergeten.’ Vader tilt me op, even vlieg ik in de lucht. Terug in zijn sterke armen krijg ik een zoen.
Zijn wangen zijn nat.

Willie, 19 november 2016

Posted in Familie, Perspectief | 4 Comments

Verwarring

Verwarring? Jawel, door de uitslag van de verkiezingen in Amerika, dáár heb ik woorden voor die er nu niet toe doen.
Het gaat vandaag om een andere kwestie, dicht bij huis. Zo dicht, dat het mij niet meer loslaat.
Déze verwarring is ontstaan door een opmerking van Hannah, mijn negenjarige kleindochter. Zij is een ‘denkertje’, neemt geen genoegen met halve oplossingen.
‘Oma, vertel je zaterdag waarom je het hebt gedaan?’
‘Wat bedoel je, mijn kind?’
‘Nou, gewoon, een boek geschreven.’
‘Nee hoor. Ik lees alleen een nieuw verhaal voor.’
‘Dat vind ik gek, dat verhaal had je er gewoon in kunnen zetten. Mensen willen toch meer weten? Ze komen helemaal naar je toe, en dan weten ze nog niks. Bijvoorbeeld waarom je schrijft.’
‘Nou ja.’

Even ben ik uit het lood geslagen. Ja, waarom schrijf ik eigenlijk zo graag?
‘Hannah, ik weet het niet precies. Gewoon omdat het leuk is.’
‘Oma, “leuk” is geen antwoord, zegt mijn juf altijd.’

Hand in hand lopen we naar huis, we schoppen tegen de herfstblaadjes. Zíj heeft nu de leeftijd van ‘Griet’, de ik-persoon in sommige van mijn verhalen. Tussen Griet-van-toen en Hannah-van-nu zijn zestig jaar verstreken.
Nooit was mijn jeugd, op deze novemberdag zo dichtbij. Mijn zestig geleefde jaren lijken uitgewist.

‘Kom we gaan huppelen, dat deed ik vroeger ook zo graag.’
‘Heb je daar ook over geschreven?’
‘Dat niet, maar kinderen huppelen, toch?’
‘Ja. Jij niet meer. Waarom niet, oma?’
‘Dat weet ik eigenlijk niet, waarom grote mensen niet meer huppelen. Zie jij papa al naar zijn werk huppelen?’
Een onbedaarlijk lach en daarna: ‘Nee, dat niet. Daar moet ik over nadenken. Misschien ga ik er een verhaaltje over schrijven.’

Kijk, lieve Hannah, je hebt zelf een antwoord op je vraag gegeven!

Oma Willie
15 november 2016

Posted in Kleinkinderen, Perspectief | Tagged | 2 Comments

‘Eén, twee, tien!’

Amber, twee lentes oud, komt een weekendje logeren, helemaal alleen. Even rust. Het is namelijk thuis druk zat met twee grote zussen en een stoere broer. Ze is een pittig dametje, met blauwe kijkers en blonde krullen. Haar zwarte jurkje met rode roosjes vertaalt haar onverzettelijkheid.
De kleine meid hoeft deze dagen niet te delen, te wachten of te veroveren. Drie nachten in Gouda. Reken maar dat we het gezellig gaan hebben.
We reizen met de trein, haar eerste ‘bewuste’ keer met het openbaar vervoer. Met haar rug strak tegen de leuning en met de mollige peuterbenen recht gestrekt op de zitting, kijkt ze naar buiten.
Ze praat nog niet veel, wel zie ik dat haar ogen alles registreren wat voorbij raast: molens, koeien en schapen.
‘Kijk, moppie, een kerk.’
‘Krrjk.’
‘Juist. Kerk.’
‘Wil je wat drinken?’
‘Klok, klok.’
‘Wat zeg je?’
‘Klok, klok.’ Met een knuist gaat ze naar haar mond terwijl ze een slikbeweging maakt.
Uit de tas diep ik een pakje appelsap op, mijn loge drinkt.
‘Klok klok op. Klok op.’ Ik vind het een mooie zin.
‘Oma Lillie, schaap?’
Natuurlijk is Schaap mee, want steun en toeverlaat. Ik tover hem tevoorschijn en zo reizen we verder. Schaap op schoot en oma vertederd.

In Gouda wandelen we in de herfstzon naar huis. De kleine meid dribbelt, alsof zij hier wekelijks komt, rechtstreeks naar onze voordeur. Herkenbaar aan de blauwe verf?

Binnen neemt ze de run naar de koffer met speelgoed, zoekt het serviesje en dekt een tafeltje voor ‘Ambie en Oma Lillie.’
Ondertussen sta ik versteld het geheugen van tweejarigen. Drie maanden geleden was Amber hier voor het laatst. Nu weet zij nóg de weg, zonder hapering vindt zij: de snoeptrommel(!), het hobbelpaard, het keukenfietsje, de koffiebus, het ‘pikkepakkeporretje’, de molen die draait, de ‘dikke-billen-deur’.
Met twee rode wangen en een rood oor van de slaap is het om zes uur tijd om haar bedje te zoeken.
‘Ambie, kom we gaan slapen.’ Ze waggelt naar de deur, klimt de trap op. In de woonkamer slaat ze direct linksaf, naar de volgende trap richting bedje. Dus ook dát nog onder haar hersenpan.
Boven staat een spijlenbedje, de grap is dat er twee spijlen uit kunnen, zodat peuters vrij zijn. Maar dat is niets voor Amber. Zij heeft thuis een compleet bedje: niet teveel verandering, oma!
Ze slaapt en slaapt, negen uur de andere ochtend ontbijten en glunderen we samen op het grote bed.
Dan gaan we winkelen, wonder boven wonder wil ze schoenen passen. De oude laten we achter en met nieuwe stoere laarzen lopen we naar de boekwinkel. Natuurlijk.
In de namiddag lees ik voor uit het nieuwe boek, het gaat over een krokodil. Er is ook een tekening met een moedereend en vier kuikens.
Mijn loge wordt onrustig.
Ze telt de dieren: ‘Eén, twee, tien. Nee, oma Lillie, één, twee, tien. NEE!’
‘Amber, wat bedoel je? Ik zie er één, twee, drie, vier, vijf. Dat klopt toch?’
‘NEE.’
Later teken ik er een eend bij. Thuis zijn zij ook met z’n zessen.
‘Kijk eens, zo goed?’
Ze kruipt dicht tegen me aan, ze knikt.
‘Eén, twee, tien. Ja!’ Háár gezin is compleet.
Maandag mis ík haar.

Oma Willie, 14 oktober 2016

Posted in Kleinkinderen | 1 Comment

Thzfjs

Drie zoek ik er. Het moet toch niet zo moeilijk zijn?
Bij mijn moeder lagen er in paar in de vorkenbak, zo heette de bestek-la vroeger. Mijn buurvrouw zette ze rechtop in een bekertje.
Hoogstwaarschijnlijk waren ze ooit, zo rond zeventienhonderd, een luxe attribuut, maar in míjn jonge leven normale gebruiksvoorwerpen. Voor een paar dubbeltjes te koop, bovendien broodnodig om je niet te verslikken.
Thzfjs. Nu wil ik er drie. En dat valt nog niet mee.
Mijn zoektocht begint bij Blokker: de ijzersterke winkelketen in gewone huishoudelijke hulpmiddelen. Dacht ik.
‘Dag, heeft u thzfjs?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Nou, ehh, gewoon, thzfjs.’
‘U bedoelt voor thee?’ Een behulpzame meid, ik schat net 16 jaar, begeleidt mij enthousiast naar de afdeling: Thee, een beleving.
‘Mevrouw, hier zijn eieren, huisjes, schepjes, zélfs paddenstoelen omdat het herfst is. Overal kunt u thee in doen.’
‘O. Leuk. Maar ik zoek een thzfj. Gewoon een thzfj.’
‘Wat bedoelt u precies? Ik zal even de bedrijfsleider vragen.’
Om kort te gaan: de beste man heeft wel een antwoord, maar geen thzfj.
‘Mevrouw, onze winkels worden één voor één naar de eisen van de tijd verbouwd. Beleving in het nieuwe sleutelwoord. Daar past geen theeprut meer in. Dat gedoe. Onze klanten gebruiken een zakje of een ei. Of in de herfts….’
‘Ja, een paddenstoel, om te vullen met losse thee. Maar ik wil gewoon een thzfj, het liefst drie.’
‘Drie?’
De Blokker-meneer kijkt ongelovig.
‘Sorry, mevrouw. We zijn gericht op de consument anno 2016.’
Op naar de Marskramer. Geen thzfjs meer in het assortiment.
Dan naar de winkel waar ik niet gezien wil worden: de Euroshopper.
‘Thzfjs? Wat zijn dat? Nog nooit gezien hier.’
Misschien toch de Hema?
Ik sluip door de schappen, bang om te worden aangezien als een prehistorisch wezen. Thzfjs, thzfjes, thzfjs……
Ten einde raad klamp ik een Hema-juffrouw aan. Ze is allervriendelijkst.
‘U moet op de afdeling Thee zijn. U bedoelt een buideltje van katoen dat u kunt uitspoelen? Of een kerkje omdat het Kerstfeest wordt? Die kunt u dan vullen met winterthee.’
‘Mhhh, ik zoek gewoon drie thzfjs, zoals mijn moeder die gebruikte als zij thee had gezet met losse blaadjes in een pot.’
‘O, zoals mijn oma ook deed.’
‘Juist.’
De verkoopster gaat voor mij op zoek in het magazijn. Ze vindt mijn gevraagde aantal.
‘Kijk, drie, misschien de allerlaatste. Maar waarom heeft u er drie nodig?’
‘Dat is een lang verhaal, het gaat over Socrates, en iets met drie zvn.’
‘Sorry mevrouw, Soprates zit niet in ons assortiment, geloof ik. Kijkt u even op onze site, daar staan alle artikelen, misschien ook wel Soprates. Ik ken het niet.’

Bij de kassa reken ik drie euro af. Een kóópje om uit te beelden wat Socrates precies bedoelde met de drie zvn.
Nu nog naar te leven.

Posted in Perspectief | Tagged , | Reacties staat uit voor Thzfjs