New Orleans (1)

Ik ruik de kleuren en ik hoor de geuren. Ik proef de blues en ik voel de smaak. Mijn zintuigen maken overuren, zij raken finaal van slag. Samen met hen ben ik onder de indruk van New Orléans. De Caribische zeewind schudt me af en toe wakker en geeft een minieme, doch aangename verkoeling. Ik droom niet, maar wandel warempel zomaar met manlief langs de Mississippi. Op elke straathoek horen we onvervalste jazz.
Deze stad, ooit bijna met man en muis vergaan door een hurricane, lacht ons nu welwillend tegemoet. De belangstelling en de hartelijkheid van Jan en alleman is niet geveinsd. We voelen ons gasten, welkome gasten. De vraag: ‘Hey guys, w’re you from?’ beantwoorden we vaak, een dikke handdruk of een joviaal gebaar valt ons ten deel.
Ooit, in de delta van de Mississippi richtten Franse kolonisten hun plantages op. In felle zon werden katoen en suiker verbouwd en geoogst. Wat nu een van de favoriete bezienswaardigheden is, een bezoek aan een voormalige plantage met alles erop en eraan, was destijds een voorbeeld van een uitgekiend en boosaardig ondernemerschap. De rijke Europanen bouwden hun huizen in Franse stijl, met balkons en veel groen.
Hun slaven hadden niets. Niets? Een misrekening van de hoogste orde: zij hadden muziek en veerkracht. In de schaarse vrije uren klonken folk, blues en negrospirituals over de vermoeide akkers. Toekomst en weemoed gekoppeld aan ritme en melodie. De omstandigheden zijn veranderd, de kracht van deze intense muziek niet.
Tijdens het JazzFest klappen man en ik vijf dagen ons stoeltje uit op het immense festivalterrein in New Orléans, we spelen een beetje ‘landje-pik’ door ons landgoed te vergroten met een badlaken en laten ons overdonderen door de muzikale overgave van grote en kleine namen uit The Big Easy.
Met een parasolletje tegen de zon en een festivalbiertje in de hand zijn wij daar zo gelukkig.

Wilie, 16 mei 2012

Posted in Reizen | Leave a comment

Ruzietje

Ik heb een klein ruzietje. Een miniatuur ruzietje met Albert Heijn, alleen weet hij het niet. Hij ligt er ook niet wakker van. Ik wel. Want ik wil ze zo graag, en ik krijg ze niet. Tenminste, lang niet allemaal. Nu moet ik in drie weken tijd voor meer dan zevenhonderdvijftig euro boodschappen halen. Kom er maar eens om. Dat haal ik lang van z’n leven niet. Zelfs niet als alle kinderen, kleinkinderen, broers en zussen dagelijks komen eten. De buren op de koffie komen en alle smekende Bulgaren in de stad een pak AH gevulde koeken aangeboden krijgen.
In mijn kindertijd speelde ik graag met kleine kartonnen winkelpakjes. Ze waren met twintig stuks verpakt in een rood netje. De miniatuurtjes waren destijds gevuld met iets wat op gepofte rijst leek, het heette Manna. Een delicatesse voor een kind uit de jaren 50. Met dozen knutselde ik een winkeltje. Broers en zussen kwamen kopen, bij ontstentenis van hen, mijn poppen. Echte uitheemse(!) namen had ik in de aanbieding: Maggi, Prodent of Liebig. Ik had ook geen zelfbediening. Die moest nog komen overwaaien uit Amerika.
Nu, ruim vijftig jaar later, droom ik dus over nieuwe kleine mini’tjes van de man die zegt ‘op de kleintjes te letten’. Slimmerik. Ooit kleine centjes, nu in een handomdraaitje een aardbevinkje veroorzaken in het kruidenierswereldje. Want vrouwen, vriend en vijand worden hebzuchtig. Ik ook. Ik dommel de nacht door met het schattige kleine blikje Cola, het koddige stronkje broccoli, het ieniemienie reepje Mars. Ze halen amper de vijf centimeter. (Alhoewel er flink met de schaal gesjoemeld is; hoe klein wordt het pakje Sportlife?)
Na twee weken -tellend tot vijftien- boodschappen doen, heb ik er vijf in huis, waarvan drie dubbelingen. Wat nu? Zal ik voor de deur gaan staan, samen met een kluit oudere-jongeren om te schooien of te ruilen? Dan heffen we natuurlijk samen het lied van Saskia en Serge aan: ’Het zijn de kleine dingen die het doen, die het doen…..’ Dat kennen we nog uit onze jeugd. Alhoewel de jeremiërende tekst ging over schouderklopjes en een beetje aandacht: voor wie niet beter weet is het refrein uitermate geschikt voor de verjaardag van Albert Heijntje.
Ik verbaas mezelf over de aantrekkingskracht van deze actie, maar gelukkig is er een verklaring. Zo lees ik vrijdag in de Volkskrant: ‘Miniaturen zijn overzichtelijk en geruststellend. Dat was in de Gouden Eeuw al zo, dat is nu ook het geval met de mini’s van Albert Heijn’. Er komt zelfs een cultureel-antropoloog aan te pas, want miniatuur objecten schijnen een innerlijke esthetische kwaliteit te hebben. Claude Levi-Strauss zou naarstig zijn gaan sparen. Ik bevind me dus in goed gezelschap en ben de schaamte voorbij.
Maar ik blijf boos. Op de slimme marketing, op mijn eigen hebzucht, op al die prachtige levensmiddeltjes die ik nooit zal bemachtigen.
Laat maar.

Posted in Perspectief, Verhalen | Comments Off

De krant van vandaag

Zomaar een woensdagochtend zonder planning, dan is er ineens uitgebreide tijd voor ‘mijn’ krant, de Volkskrant.
Alle artikelen gelezen, veel nagedacht, wenkbrauwen opgetrokken, ook gelachen, soms verbaasd, ettelijke malen verwonderd, verbijsterd waar nodig.
Kortom, de krant als cabaret.
Lees en maak het mee:
Artikel: De Farc laat de laatste tien politieke gevangenen vrij.
‘Sommige mannen konden, na twaalf tot veertien jaar gevangenschap, hun tranen niet bedwingen’, aldus Marjolein van de Water.
Wat een verrassing, wenen na een ongewild verblijf van jaren bij ongeleide projectielen, in een woest donker oerwoud.
Artikel: David Cameron verslikt zich in een pasteitje.
‘Houdt u van pasteitjes, mijnheer Pickles?’
‘Nee, echte mannen eten geen pasteitjes’,
antwoordt de man. Hij is een dikke Working-Class Tory uit Yorkshire.
Hij heet echt zo: Pickles.
Artikel: Ramsj verslaat chic.
Begin 2007 zit Jan Bernard de Slegte in de piepzak. Het gaat slecht met zijn winkels’.
Ik maar denken dat de Slegte een gekozen naam was, want daar kocht je immers boeken van ander allooi dan in de gerenommeerde winkels.
Artikel: Water en groen vormen het goud van een ‘bloemkoolwijk’.
Ruim honderd ‘bloemkoolwijken’ zijn gebouwd in de jaren’70. Naar binnen gerichte (uh?) huizen met woonerven, waar het goed spelen is, maar een adres vinden is nauwelijks mogelijk’.
Blij dat ik in een soort langgerekte Preistraat woon, en onze grachten als een venkel het stadshart beschermen.
Artikel: Turkenpension nu nationaal erfgoed, te bezichtigen in het Openluchtmuseum in Arnhem.
Ik hoef niet zover te reizen. Het pension waar Poolse werknemers, anno 2012, hier ter stede slapen doet niet onder voor de versie van die Turkse kamer in Arnhem.
Over geschiedenis en herhalen gesproken.
Waar ik bij grinnikte:
Mr. Polska op een tweet: ‘deze leven is een dure geintje’.
Waar ik stante pede kriebelig van werd:
In een cupcake-winkel kun je een cake-consultant om advise vragen. Welke smaak bij je persoonlijkheid past, welke kleur glazuur het best bij je personality staat.
Ik denk dat ik maar zandkoekjes ga bakken voor de Polen.

Posted in Perspectief | Comments Off

Vliegende violen

Mijn ouders geloofden hartstochtelijk, maar knielden niet op een bed violen. Zij waren er gewoon van overtuigd, dat de vriendelijke God alom tegenwoordig was. Zo was het goed. Zij baden wel hun gebed op gezette tijden, woonden ook des zondags trouw de heilige mis bij. Tegelijkertijd waren zij praktisch van aard, hetgeen betekende dat de leer van de kerk naar eigen goeddunken een pasje naar links of een pasje naar rechts kon maken.
Geen vlees op vrijdag, nuchter ter communie, vasten in de zo drukke maand in het voorjaar? ‘Dan komt de paus zelf hier maar spitten, zaaien en poten. Jongens, wie lust er nog een speklapje?’
Kortom, geloof als leidraad en niet als leiband.
Behalve met Pasen. Dan werd het gelovige leven onverwacht serieus. De Paasplicht riep. In de praktijk betekende het, dat er dag na dag voor Het Grote Feest gepoetst en geboend werd. Schoongemaakt in hoeken en gaten. Matrassen naar buiten, dekens te luchten, de kachel leeggehaald en in de Zebraline gezet. Nieuwe kleren gekocht, zodat alles en iedereen op zijn Paasbest te voorschijnkwam. Want het Hoogfeest Pasen werd gevierd. Voor mij was het een verhaal vol verbeelding: eerst dood, dan begraven, (wat heet, verstopt achter een steen) en dan hopla, weer levend. Ik snapte er niets van.
Ook de tuin moest er aan geloven. Grind geharkt, dode takjes verwijderd, wilgen geknot, steentjes gewit, fruitbomen gekortwiekt en in verse aarde violen gepoot. Vrolijke bloemen in alle kleuren van de regenboog. Mijn vader, voor het bed violen, een sigaartje in zijn mond, pootte plantje na plantje in mooie rijen. Ik voelde de lente en de spanning van de natuur.
Bijna zestig jaar later poot ik opnieuw violen. Voor ons huis, in ons tuintje aan de straat. Niemand jat ze, geen baldadige jeugd knijpt de bloemetjes eraf, geen dronken feestgangers hangen ze in de lantaarnpalen. Jaar in en uit: in de lente, vrolijkheid troef in geel, blauw, oranje, wit en een soort zalm.
Tot vandaag. Er werd aangebeld door een Pool, die klust in het huis naast het onze:
‘Miss, flowers vliegen.’
Met zijn hogedrukspuit bedoelde hij het goed. Hij wilde zo graag onze ramen en kozijnen schoon afleveren, nadat hij de hele dag met slijpstenen op de gevel in de weer was geweest. Rode neerslag alom. Ook op de violen. Maar die kunnen niet zo goed tegen 140 bar. Daar gaan ze van vliegen.
Vliegende violen, misschien is dat wel Pasen.
Zou zo maar kunnen.

Posted in Familie, In en om de Keizerstraat | Comments Off

Winterslaap

De sneeuwklokjes. Zij kwamen, staken kwiek twee weken hun klokjes boven aarde. En hielden het alweer voor gezien. In twee weken tijd doen zij, wat wij in een mensenleven doen. Ontwaken, groter groeien, mooi worden (meestal) en verscheiden. Twee weken subtiele pracht en praal, om nadien voor 54 weken opnieuw onder de wol te kruipen. Dat is nog eens een lange winterslaap.
Ik hield ook een -korte- winterslaap, althans ik verkeerde erin. Ik wintersliep met mijn ogen open, met mijn oren alert en met een glimlach om de mond. Winterslaap als gelegenheid van rust en overgave. Kon niet anders.
Ik kroop niet in een hol en begroef me niet in de modder. Niets van dat al.
Ik strikte veters en zette warme hoedjes op, ik knuffelde en voedde, ik zong liedjes en las kleine verhaaltjes voor. Ik herhaalde moeilijke woorden en gaf duizend-en-een-keer antwoord op dezelfde vraag. Ik duwde een schommel en voerde de eendjes. Ik verschoonde en prees een zindelijke peuter. Ik keek naar Bumba en at een oortje op. Ik deed kiekeboeboe en rijkte de gevallen giraffe aan. Ik leerde tongetje uitsteken en ik troostte bij stoot. Ik tilde op en speelde treintje. Ik gaf een flesje en maakte pannenkoek. Ik vulde een kruikje en duwde een allemachtige handige kinderwagen, voor twee personen, langs bevroren oevers. Ik strooide hagelslag op brood en maakte van worst kleine rolletjes. Ik bakte aardappeltjes en flapte wat ketsjup in een bakje. Ik poetste petieterige melktandjes en veegde billen. Ik knutselde een poppenschommel en speelde patiënt. Ik lepelde Olvarit in een gretig mondje en sneed een boterham in muizenhapjes. Ik speelde hop, hop paardje en voer schuitje naar de Overtoom. Ik wachtte op een boertje en kneedde dikke babybeentjes. Ik dekte toe, stopte onder en streek sloopjes.
Dit allemaal in mijn vermeende ‘winterslaap’. Want ik hoefde en wilde niets anders. Mijn huis was voor een tiental dagen het domein van twee hoopjes mensenkinderen. Ik genoot van hen, het babybroertje en het peuterzusje.
Het hoopje van zes maanden liet zich de rust welgevallen, pardoes sliep hij de nacht door en krakeelde overdag, onverschrokken, urenlang in zijn geïmproviseerde box.
Zus van dertig maanden was daar, met haar magische leeftijd. Haar koppie werkt immer op volle toeren, alles en iedereen slaat ze op onder haar blonde krullen. Elke dag zijn er nieuwe woorden die geproefd en opgeslagen worden. Woorden die gecombineerd worden met de woorden van gisteren. Mij is niet meer ik, en ik is niet meer jij. Ze heeft het door: derde persoon anders is dan eerste persoon. De pop is van mij, en niet meer van jouw.
‘Feline, het is jouw pop.’
‘Nee, oma het is mijn pop.’
Tegen vijven valt zij bijna om van vermoeienis. Nog al wiedes. Maar de volgende dag speelt ze, met verve, het spel van imitatie opnieuw. Ze kookt op een fornuisje, ze wast haar popje in een bekertje. Ze stoft een stoel en sopt de keuken. Dekt toe en geeft Poppop een hapje van haar yoghurt.
‘Kan gebeurggghu’, meldt ze mij, wanneer de beker met yoghurt omvalt.
‘Tja, vrouwtje, kan gebeuren’, herhaalt oma, die nauwelijks beseft hoe rijk ze is tijdens haar summiere, zelfbedachte winterslaap.
Op een avond vertrekken ze weer, de baby en de peuter, natuurlijk, naar hun eigen plek, hun papa en mama.
De oma? Die schudt de winterslaap van zich af, telt haar zegeningen en gaat een fikse wandeling maken, op zoek naar een verlaat sneeuwklokje.
Naar herinnering en belofte.

Willie, 4 maart 2012

Posted in Kleinkinderen | Comments Off

‘IJs doet alle plannen smelten’

Herken je ook de lichtjes in de ogen en koortsige blossen op de konen van de winterliefhebbers? Het lijkt misschien op een gewone huis- tuin- en keukenkoorts, maar het is anders; het is Schaatskoorts. Deze aandoening is niet gevaarlijk, laat staan levensbedreigend, het ontregeld wel. Een overvolle agenda blijkt ineens een lange lunchpauze te herbergen, zodat er een paar baantjes getrokken gaan worden. Afspraken kunnen afgezegd, verplichtingen komen op een laag pitje. Een verjaardag kan wachten en de boodschappen hebben geen haast. Ik ken dat gevoel, wanneer het S-woord daar is. Het is me met de paplepel ingegoten.
Rond mijn vierde hoorde ik mijn moeder op een ijzige ochtend zeggen: ‘Kom Hein, de ijzers moeten uit het vet’.
‘IJzers uit het vet?’ Wij hadden in onze kelder van alles en nog wat in of onder het vet voor onzekere dagen. Maar ijzers in het vet?
Ondertussen werden de ijzers, in veel opvolgende maten, uit het vet gehaald. Tot mijn kinderlijke verbazing niet uit een weckpot, maar gewoon uit een kartonnen doos. De ijzers, pseudoniem voor schaatsen dus, waren verpakt in oude kranten als bescherming tegen krassen en bramen. In de lente aandachtig ingevet met dikke lagen zuurvrije vaseline. Met mijn peuterneus er boven op, zag ik dat vader het vet er voorzichtig afschraapte. Deze smurrie smeerde hij weer op de leren riempjes van onze doorlopers. Een milieu-activist avant la lettre, dus. Met een beetje geluk kwamen er wel nieuwe oranje vastbindlinten aan te pas.
Naast deze zichtbare handelingen van tevoorschijn halen, ontvetten, vetten, passen en linten strikken deed nog een ander fenomeen in ons gezin zijn intree. Het fenomeen van ‘even niets moeten’.
Mijn moeder, een kordate en doortastende vrouw, hield niet van uitstel, getuttel en geneuzel. Noch van ietsepietsie tegenspraak, noch van lichte vormen van ongehoorzaamheid. Geen haarlemmerdijkjes, was haar antwoord op ons, soms, weerspannige gedrag. Met ’gehoorzamen is direct doen, en niet over een uur’, leerde zij ons de opgelegde hand- en spandiensten direct uit te voeren. Jazeker.
Afwassen: meteen.
Huiswerk: direct.
Strijken: op de wasdag.
Sajet ophouden: nu.
Je vader helpen in de bloemenschuur: duldt geen uitstel.
Naar de kruidenier voor een blauwtje: over vijf minuten terug.
Sokken gestopt en knopen aangenaaid: voor vanavond.
Zondag: tijd voor de kerk. ‘Lopen alvast, Lieve Heer wacht niet.’
Totdat. Totdat er ijs lag in het slootje naast de moestuin. Het S-woord waarde vanaf dat moment door ons huis. Het elimineerde alle regels en afspraken. Nog een beetje onwennig door deze onverwachte wending in onze opvoeding, bonden wij snel de blokjes, de doorlopers of de zwierers onder. Vader sjouwde stoelen en sledes op de baan, moeder bracht anijsmelk. Grote broer zette de grammofoon op een bonenkist, draaide wat aan de mechaniek en Willy Derby leidde ons muzikaal de ijle vrieslucht in.
Ons huiswerk? De afwas? De strijk? Op onze vragende blik had moeder een antwoord: ‘Kinderen, ijs doet alle plannen smelten.’
Klopt, of je wilt of niet.

Willie, 5 februari 2012

Posted in Familie | 2 Comments

Toetsen en poetsen

De juf van Hannah heeft vijfentwintig wriemelde, stuiterende en leergierige broekenmannetjes en dito vrouwtjes onder haar hoede. Juf verblikt of verbloost er niet van. Want ze heeft het goed georganiseerd in haar domein, met haar troupe. Haar stem verheft ze nauwelijks, eigenlijk nooit. Zij brengt haar boodschap over, gelijk een melodietje. Een echte melodie, wel te verstaan. ‘Pahhak je jahasje’, op het deuntje van Vader Jacob klinkt waarachtig anders dan: ‘PAK JE JAS!’ Kijk, daar gaat het om. Kleuters zijn kleuters en dat moesten we nog maar een poosje zo houden.

Alhoewel. Een Amsterdamse crèche denkt daar anders over. Zo anders, dat zij zuigelingen toetsen aan de poort. Hoe zij dat precies doen weet ik niet, wil ik overigens helemaal niet weten, maar het gebeurt.
‘Want’, ik citeer uit een landelijk dagblad, ‘wij willen baby’s zo goed mogelijk voorbereiden op hun carrière.’ Nauwelijks van deze schok bekomen lees ik verder: ‘De crèches met de minder intelligente baby’s worden natuurlijk nu wel het afvoerputje van de maatschappij. Zij worden de onderklasse van de toekomst.’ God bewaar me, wat een malligheid. Ik dacht dat we deze onzin ruim achter de rug hadden, die van het dubbeltje dat nooit een kwartje wordt. Een bestuurslid van de koepelorganisatie dagverblijven doet er nog een schepje bovenop: ‘Kinderen (de baby’tjes dus?) weten direct waar zij aan toe zijn. Wie op een crèche uitvalt kan daar in de loop van zijn leven grote schade van ondervinden.’
Zo. Wauh. Potverdikke. Tjeempie. Alle donders en garnalen, wel allemachtig, deksels en jeminee. Sterre wordt misschien geen advocaat en Jesse geen chirurg, maar gelukkig ondervinden zij later niet de emotionele schade van een te ambitieuze plaatsing op de afdeling hoogbegaafde zuigelingen.

Wanneer ‘Pakhak je jahasje’ tot de gewenste resultaten heeft geleid, de school uitgaat, en Hannah tegen mij opspringt fluistert zij in mijn oor: ‘Oma, morgen mag ik poetsen’. Oma, bouwjaar 1947, kan de juf wel omhelzen. Poetsen moet je vroeg leren, de drie R’s waren zo gek nog niet. Mijn Mientje Dobbelsteen huppelt op de terugweg door plassen, verzamelt blaadjes en steentjes. Haar liedje van verlangen blijft zij herhalen: ‘Morgen mag ik poetsen. Morgen mag ik poetsen’.
Haar ouders verblikken of verblozen niet van deze mare, de poets-mare. Juf heeft namelijk meer trucjes om haar drukke bestaan tot normale proporties terug te brengen. Zoals daar ook het ‘gastvrouw/heerschap’ voor de kleuters is ingevoerd. Een beetje helpen, wat vegen, de prullen oprapen maar vooral aan het eind van de week een volle zak met natte, riekende handdoeken meekrijgen. Gelijk een goed gastvrouw betaamt, komen deze zeker weten maandag kraakhelder in de plooi gestreken weer terug. Juf blij, kleuter blij, ouders blij en moe.
Blijft de vraag wat er op school allemaal wel niet gepoetst is.
‘Twee boekjes’, is het stellige antwoord.
‘Twee boekjes poetsen? Waren ze van plastic dan?’
‘Weet ik niet en nu ga ik spelen.’
Wanneer de juf anderdaags vertelt dat Hannah zo ontspannen was bij het toetsen, valt het kwartje.
Het poetsen leert oma haar nog wel.

Willie,
1 februari 2011

Posted in Kleinkinderen | Comments Off

Januari

Wachten op de winter
nog eventjes
de krokus is er al
ook de hazelaar.

Mijn fysiek wil nog niet
geloven in de lente
het wacht,
wacht op de winter.

De Hollandse kou
bevroren sloten
en rode konen
boven de hutspot.

De dagen lengen
helder genoeg voor vorst,
het dun kristallen licht
waar de kou door heen schijnt.

Ik wacht op de winter,
dek de krokus toe
met een vers bergje aarde.

Willie
13 januari 2012

Posted in Perspectief | Comments Off

Ça va bien

Zeven jaar precies heeft het geduurd. Zeven jaar heb ik verbruikt om mijn ski’s in de goede richting te krijgen en te houden, zodat zij, -eindelijk- met mij in sierlijke bochten de pistes afdaalden. Zonder averij.
Het was 2005. De sneeuw maakte een sprookje van de ongenaakbare bergen in het Alpenland. Wij verpoosden daar twee weken, samen met de Hollandse kinderen, in het huis van de geëmigreerde jongste.
Nauwelijks waren bij het ontbijt de pains au chocolat achter de kiezen verdwenen, of er ontstond een rumoerige Babylonische spraakspanning. Snel nog een slok koffie, een stuk Brie of Camenbert, maar dan:
‘Wie heeft mijn handschoenen gezien?’
‘Heb jij mijn sneeuwbril opgeruimd?’
‘Waar is mijn helm?’
‘Heb je genoeg water bij je?’
‘Ik neem een paar bananen mee.’
‘Oh, mijn stokken? Gisteren stonden ze nog in de gang.’
‘Heb jij je portemonnee bij je?’
‘Getverderrie, mijn binnenschoenen zijn nog nat.’
‘Nemen we een dagkaart?’
‘Waar gaan we lunchen? Op 1400 of 1600?’
‘Ik wil off-piste. Gaat er iemand mee?’
‘Kom, we gaan. Hebben we de eerste lift.’
‘Even wachten. Ik zoek mijn sjaal.’
‘Kom we gaan. Mam, tot vanavond. We zijn rond zessen terug.’
Aldus geschiedde. Mam bleef achter, ruimde wat op, wandelende wat, deed boodschappen en verwelkomde ‘s avonds bedeesd de horde hongerige en roodgekoonde skiërs.
Dan kwamen er drieste verhalen, niet te kort. Wie over de kop ging, wie daarna volgde, wie de slappe lach kreeg na een woeste buiteling. Wie rigoureus een boom omarmde, wie in de lift bleef zitten, wie onverschrokken in mist en sneeuw toch nog de zwarte piste af durfde. Wie wie inhaalde, wie zich ten langen leste overgaf aan snelheid en souplesse. Wie lekkerste crêpes had gegeten en wie de warmste Glühwein had gedronken.
Zeven jaar lang heeft mam dit aangehoord. Zij skiede af en toe wel een beetje, genoot dan van de witte sneeuw op de groene piste. Maar daar komen geen verhalen van.
Misschien, omdat zeven een heilig getal is, gebeurde het dit jaar.
Op nieuwjaarsdag verraste ik mezelf, in arren moede, met twee privélessen.
De ski-juf begreep mijn bevende benen en bibberende aarzeling. Wat een kanjer, Christelle, mon institutrice! Alle angstcellen voor hoge pistes, enge liften, suizende snowboarders, ijzige afdalingen en goedbedoelde, maar euvele opmerkingen smolten onder haar leiding als sneeuw voor de zon.(!) De pistes verschoten zomaar van kleur.
‘Ça va bien, Willie’. Het klonk als muziek in de oren. ‘Ça va bien. Ça va bien.’
Zeven jaar had ik dus nodig om mijn bedenkingen te laten verdwijnen en ruimte te geven aan durf en fiducie.
Het is 2012. Na de pains au chocolat zoek ik nu fier mijn stokken, mijn bril, mijn schoenen en regel ik mijn lunch op de piste. Mam heeft nu ook spannende grote verhalen als zij -roodgekoond- tegen zessen, naast de houtkachel geniet van een vin chaud.
Zeven jaar. En dat op 01-01-2012. De numerologen zouden er wat van denken.

Willie, 10 januari 2012

Posted in Familie, Reizen | Comments Off

Het verschil

Het is koud en winderig.
Mensen lopen, diep in hun kraag gebogen door de stad.
Soms kijken zij even naar de etalages, gevuld met onvervulde wensen en hoopvolle verwachtingen.
Het wordt niet meer echt licht overdag.
De zon komt op rond de klok van negen.
Hij gaat alweer onder om half vijf.
De kalender was aan zijn laatste blaadje toe.
Vlokjes van sneeuw dwarrelen naar de aarde.
Ze wegen niets, bijna niets.
Langzaam vallen ze.
Ze zoeken een plekje op de bomen, de struiken, de lantarenpalen.
De daken krijgen een witte hoed.
De auto’s zijn plotseling ook allemaal een kleur.
Sneeuwwit, dus.
De sneeuw valt maar door, met miljoenen vlokken tegelijk.
Zij zoeken gewichtsloos hun weg.
Wat weegt eigenlijk een sneeuwvlok?
De oude eik in het park vindt het allemaal best, zijn kale taken zijn nu weelderig bedekt met de glinsterende vlokken.
‘Ach,’ zegt hij, ‘wat maalt het. Kom maar op jongens, bedek mij maar met een mooie witte deken. Sneeuwvlokjes wegen toch niets’.
Totdat net dat ene vlokje neerdaalde.

Gelukkig 2012, en maak het verschil!

Posted in Verhalen | 1 Comment