Kleindochter, richting puber, staat haar vrouwtje. Zij heeft de hoofdrol in de eindmusical bemachtigd, heeft een lijst met cijfers waar je ‘U’ tegen zegt, laat zich niet de les lezen door haar grote broer en zussen. Onderhoudt vriendschappen, heeft altijd ruimte voor een goed woord voor de grootste “pestkop” van groep 8, is belangstellend naar het leven van opa en oma.
Deze kleindochter, wat een weelde, komt een dagje op bezoek. Zomaar, en tegenwoordig zelfstandig met de trein.
Zomaar? Nou nee, zij heeft een doel. Bij oma in de tuin werken, om de broodnodige vakantiecenten te verdienen. Is gelukt.
Tijdens de lunch raken we aan de praat. Op zich niet bijzonder, want al jaren loop ik zijdelings met haar mee. Ik ken haar bespiegelingen, haar voorzichtige meningen en haar vertrouwen “dat het allemaal goed komt”.
Boven een kopje soep komt de dood ter sprake. Of het eng is, of je zelf mag beslissen wanneer, wat dood nu eigenlijk precies is. Of je wel taartjes mag eten bij een afscheid. Wat herinneren is.
“Zolang je kunt herinneren ben je niet dood, toch oma? Maar als mijn hart ofzo het niet meer doet, waar blijven dan die herinnering die ik heb?”
“Misschien is dat gewoon je ziel. Iets wat niet te zien is, maar wat een mens tot een mens maakt.”
“O.”
“Veel mensen en ook godsdiensten denken daar anders over.”
“Weet ik. Dat je naar de hemel gaat, of naar een soort paradijs. Dat kan toch helemaal niet.”
“Wat denk jij, meissie?”
“Nou, ik denk dat je gewoon naar toe gaat waar je hoort.”
Dit vind ik een geniaal perspectief.
Willie, 17 juli 2026